Schouder instabiliteit
Anatomie en functie
De schouder is een zeer beweeglijk gewricht dat bestaat uit de kop van de bovenarm (humerus) en de kom van het schouderblad (glenoid). Deze kom is relatief ondiep, waardoor stabiliteit grotendeels afhankelijk is van de omliggende structuren: het labrum, het gewrichtskapsel, de ligamenten en de spieren van de rotator cuff. Als iets van deze structuren verzwakt, beschadigd of uitgerekt is, kan het gewricht te veel bewegingsvrijheid krijgen: dit noemt men schouderinstabiliteit.
Oorzaken en klachten
Schouderinstabiliteit ontstaat vaak na een trauma, zoals een schouderluxatie (uit de kom schieten), waarbij structuren zoals het labrum kunnen scheuren (bijv. een Bankart-laesie). Herhaalde luxaties komen vooral voor bij jonge en actieve mensen. Instabiliteit kan ook geleidelijk ontstaan zonder trauma, bijvoorbeeld door hypermobiliteit of overbelasting, zoals bij werpsporten. Klachten zijn onder meer een gevoel van "uit de kom schieten", pijn bij bepaalde bewegingen, verminderde kracht en soms ook een onzeker of "los" gevoel in de schouder.
Diagnose en behandeling
De diagnose wordt gesteld via anamnese, lichamelijk onderzoek en beeldvorming zoals een CT of MRI om schade aan labrum of kapsel zichtbaar te maken. Behandeling begint vaak conservatief met kinesitherapie gericht op spierversterking. Bij herhaaldelijke luxaties of onvoldoende resultaat kan een operatieve ingreep nodig zijn, zoals een Bankart-repair (hechting van het labrum) of in sommige gevallen een Latarjet-procedure (botverplaatsing voor extra stabiliteit). Na de operatie volgt een intensieve revalidatie.